Ruim tweeduizend jaar geleden is Heerlen nog geen stad van staal of steenkool, maar een strategisch baken in een ongetemd landschap. De Romeinen leggen hier het fundament voor Coriovallum: een belangrijk knooppunt waar soldaten en handelaren over een belangrijke weg trekken. Waar nu beton ligt, mengde de geur van Romeinse badhuizen zich toen met het stof van marcherende legioenen. Wat je vandaag ziet, is gebouwd op deze eeuwenoude lagen van beweging; een plek waar de wereld toen al samenkwam lang voordat de eerste mijnklok luidde.
De Romeinen kozen deze plek met een reden; de naam Coriovallum betekent letterlijk 'perfect gelegen versterking'. Hier kruisten twee van de belangrijkste wegen uit het Romeinse Rijk elkaar, waardoor de plek een bruisend knooppunt werd. Soldaten, handelaren en reizigers waren hier aan de orde van de dag. Voor het eerst kwamen er stenen gebouwen en een strakke organisatie in dit gebied. Het was het begin van de moderne structuur zoals we die nu kennen. Maar diep onder het zand lag nóg iets bijzonders verborgen...
In het midden van de Tweede Wereldoorlog stuitte Heerlen plotseling op een vergeten wereld. Bij graafwerkzaamheden in het centrum kwam een compleet Romeins badhuis tevoorschijn, dat eeuwenlang verborgen lag onder het zand. Dit was vroeger dé plek om te zien en gezien te worden; na het werk kwamen de inwoners hier samen om te wassen, te roddelen en belangrijke deals te sluiten. Tegenwoordig kun je deze oude 'wellness' nog steeds met eigen ogen bekijken in het Thermenmuseum. Maar na het vertrek van de Romeinen veranderde alles: het ritme, het leven en zelfs het hele landschap...
Na het vertrek van de Romeinen valt de stadse drukte weg en krijgt de natuur weer de overhand. Vanaf de tiende eeuw verandert Heerlen langzaam in een rustig boerendorp waar de klok wordt gelijkgezet met de seizoenen. Langs de kabbelende beken verschijnen de eerste watermolens en grote boerenhoeven die het landschap domineren. Het leven is nu lokaal en kleinschalig; elke dag draait om hard werken op het land en simpelweg overleven. De rust in het dal lijkt eeuwig, tot rond 1900 de eerste voortekenen van een enorme verandering de aarde doen trillen…
Tussen de grazende koeien en de stilte van de velden wordt een ontdekking gedaan die alles op zijn kop zet: er zit steenkool in de grond. Eerst blijft het nog even rustig, maar de industrie ziet de kansen van dit 'zwarte goud' dat diep onder de Limburgse bodem wacht. De eerste proefboringen zijn gedaan en de klok begint onvermijdelijk te tikken. De plannen liggen klaar en de wereld kijkt mee. Dan, tientallen jaren later, volgt de grote explosie die het kleine boerendorp voorgoed zal veranderen in een industriële wereldstad...
Aan de start van de twintigste eeuw is Heerlen nog steeds dat bescheiden dorp, maar in de straten hangt een nieuwe energie. De eerste contouren van een echte centrumstad worden zichtbaar: een dokter, een veearts en zelfs een eigen kantongerecht trekken mensen naar de kern. Er verschijnen winkels en de markt wordt het kloppende hart van de streek. Het voelt allemaal nog dorps en vertrouwd, maar de schijn bedriegt. Onder de voeten van de voorbijgangers ligt de toekomst in de vorm van zwarte kolen al klaar. Wanneer de mijnbouw losbarst, zal geen enkele steen in Heerlen meer hetzelfde blijven...
Henri Sarolea is de visionair die ziet wat anderen missen: zonder rails heeft de steenkool geen weg naar buiten. Als spoorwegpionier dwingt hij de komst van de trein naar Heerlen af, waardoor het boerenhart plotseling een industrieel ritme krijgt. Terwijl Sarolea de infrastructuur bouwt, bemachtigen de Duitse broers Honigmann de licentie om de diepte in te gaan. Met een slimme marketingtruc noemen ze hun bedrijf de 'Oranje-Nassau' mijnen; een koninklijke naam die de bazen in Den Haag over de streep trekt en het boerendorp definitief verandert in een mijnstad.
Vijf jaar later, met de opening van de Oranje-Nassau I begon de eerste mijn echt te draaien en verdween de landelijke rust voorgoed. Ineens stond daar een gigantische toren die dag en nacht herrie maakte, terwijl lokale boeren nog geen idee hadden hoe ze de kolen uit de grond moesten halen. Daarom haalden de eigenaren experts uit het buitenland, waardoor de straten van Heerlen ineens vol liepen met Duitse en Sloveense "aliens".
Een aantal jaar na de opening van de eerste mijn, begon de regering zich een beetje zorgen te maken. Zij wilde namelijk niet dat buitenlanders de baas werden over onze energie en besloot daarom zelf de 'Staatsmijnen' op te richten. In Heerlen was dit de Emma staatsmijn. Staatsmijnen kregen koninginnen namen waardoor de mijnprojecten direct "heilig" werden. Niemand durfde namelijk te klagen over stank of lawaai als dat betekende dat je eigenlijk klaagde over de koningin zelf.
| Naam | Plaats | Open | Sluit | Type |
|---|---|---|---|---|
| Oranje Nassau I | Heerlen | 1899 | 1974 | Privaat |
| Emma | Hoensbroek | 1911 | 1973 | Staats |
| Oranje Nassau III | Heerlerheide | 1917 | 1973 | Privaat |
| Oranje Nassau IV | Heksenberg | 1925 | 1966 | Privaat |
In 1917, terwijl heel Europa in brand stond door de Eerste Wereldoorlog, zat Nederland veilig aan de zijlijn, maar het land schreeuwde om energie. Omdat de import uit het buitenland stopte, schoot de prijs van de Heerlense kolen met wel 400% omhoog. Het "zwarte goud" was ineens letterlijk goud waard. Het geld stroomde de stad binnen, waardoor Heerlen in deze donkere jaren veranderde in de rijkste en drukste schatkist van Nederland.
Toen de rest van de wereld na de Eerste Wereldoorlog in een diepe economische crisis belandde, bleef Heerlen haar pasverdiende rijkdom met trots tonen aan de buitenwereld. Midden in de armoede bouwt het modehuis Schunck het glazen monument. Het laat zien: wij zijn modern, wij zijn rijk. Een jaar later start ook de bouw van het Raadhuis als statement van ongekende rijkdom en zelfvertrouwen. Architect Frits Peutz ontwierp zowel het glazen monument als de strakke, witte "tempel" die de rest van Nederland jaloers maakte.
Na de Tweede Wereldoorlog lag Nederland in het puin en waren de mijnwerkers als "helden van de arbeid" de enige hoop om het land weer tot leven te wekken. De regering smeekte om brandstof en de koempels werkten zelfs op zondag door tijdens de legendarische "Kolenslag". Ze werden behandeld als topsporters met extra eten en stonden op posters door het hele land: de mijnwerker werkte voor iedereen.
In 1899 telt Heerlen al 6.300 inwoners; geen klein dorp meer, maar een gemeenschap op een kantelpunt. De geur van vers gemaaid gras vult de straten en de Pancratiustoren domineert de horizon, maar de rust is schijn. Diep onder de grazende koeien in de wei trilt de aarde al van de naderende industrie...
23 jaar later is de stilte van de weiden definitief verdreven door het stampen van de machines. De mijnen zijn nu de almachtige huisbazen die de 'Molenberg' uit de grond stampen: een stad in een stad, gebouwd voor een nieuwe, industriële wereld. In de straten van deze kolonie mengt de geur van steenkool zich met een symfonie van vreemde talen. De Limburgse identiteit vloeit hier samen met die van duizenden migranten, zoals de cijfers hiernaast laten zien.
De wederopbouw draait op volle toeren en de Limburgse bodem vraagt om meer handen dan de streek kan bieden. In de 'Gezellenhuizen' (*was een soort hotel-pension voor vrijgezelle mijnwerkers) klinken nieuwe ritmes; de geur van sterke espresso en olijfolie waait door de straten. Jongemannen uit Italië en Spanje dalen nu af in de zwarte schachten om de Nederlandse economie te stutten. Heerlen kleurt voor het eerst echt zuidelijk, terwijl de mijnklok onvermoeibaar de maat van de vooruitgang blijft slaan.
De mijnen draaien op volle toeren en de vraag naar arbeiders bereikt een hoogtepunt. Er komen nu werknemers uit allerlei landen, zoals Turkije en Marokko. In de wijken rondom de mijnschachten ontstaat een mix van verschillende culturen. Bij de lokale bakker ligt nu ook platbrood en op de markt hoor je allerlei talen door elkaar. De mijn is niet langer alleen een werkplek, maar een wereldhaven in het binnenland waar duizenden gelukszoekers hun wortels diep in de zwarte aarde planten.
De mijnen gaan dicht. De laatste lift gaat omhoog en de koeltorens worden afgebroken, maar de mensen blijven hier wonen. De nieuwkomers van vroeger zijn nu de opa’s van de stad geworden. Ook al zijn de mijnen nu gesloten, de sfeer van de mijnwerkers merk je nog steeds. Het is een mix geworden van Limburgse trots en invloeden uit de hele wereld. De stad is voorgoed veranderd.
Diep onder de grond is gevaar geen tekst in een handboek, maar de lucht die je inademt. Omdat je het dodelijke, reukloze mijngas niet kunt zien of ruiken, is het felgele vogeltje in zijn kooitje je allerbelangrijkste levenslijn. Zolang de kanarie fluit of onrustig rondhopt, is de lucht veilig, maar zodra het beestje van zijn stokje valt, telt elke seconde om weg te komen voor de onzichtbare dood toeslaat. In deze duisternis betekent arbeidscultuur dat je je leven letterlijk toevertrouwt aan de man naast je; je bent geen collega's, je bent elkaars overlevingsgarantie.
Vanaf 1911 is de mijnwerker niet langer een 'ongeoefende zwoeger', maar een gediplomeerd vakman. Met de invoering van de eerste officiële houwersdiploma's ontstaat er een nieuwe adel onder de grond. De Meester-houwer klimt op tot de onbetwiste koning van de schacht. Hij is degene die de zwarte wand 'leest', die weet waar het gevaar loert en die met één blik bepaalt hoe hard er gezwoegd wordt. Heb je je diploma? Dan verdien je niet alleen meer centen, maar dwing je diep respect af bij elke man die de lift in stapt.
Na jaren van uitputting en hele lange dagen valt in 1919 eindelijk de beslissing: de acht-urige werkdag is een feit. Voor de koempel betekent dit een revolutie; voor het eerst blijft er zonlicht over na de dienst. De mijn grijpt dit moment aan om de 'vrije tijd' van haar arbeiders vorm te geven.
In de tijd dat de mijnen op hun drukst waren, was de mijn niet alleen je werkgever, maar regelde het bedrijf bijna je hele leven. De mijn zorgde voor alles: van de sportclub waar je voetbalde tot de kerk en de school van je kinderen. In de mijn zelf was de baas echt de baas. Bovenaan stond de 'meester-houwer' als de leider van de groep. Onderaan de ladder stond de 'Piemel', de naam voor de jongste nieuwkomer die vooral hard moest werken en goed moest luisteren. In deze wereld telde maar één ding: pas als je had bewezen dat je het zware werk aankon, kreeg je het respect van de andere mijnwerkers.
Ondergronds werk je in een wereld waar je nooit weet of je nog levend boven komt, en daarom is geloof hier geen keuze, maar pure noodzaak. Sint Barbara is de onbetwiste beschermheilige van de koempels; haar beeldje staat in elke schacht als een baken van hoop in de zwarte duisternis. Om de moraal hoog te houden, richtten de mijnen de 'Dienst van het Geluk' op, een afdeling die niet alleen zorgde voor de veiligheid, maar ook voor het hart van de gemeenschap.
Vanaf 1952 wordt de 'schaf' officieel hét ankerpunt van de dag. De koempels kruipen bij elkaar op houten balken of lege kisten voor hun gezamenlijke pauze. In het schijnsel van hun hoofdlampen worden de boterhammen met tevredenheid uitgepakt. Maar de schaf is veel meer dan alleen eten; het is het moment waarop de pikorde wegvalt. Hier worden de scherpste grappen gemaakt, de wildste verhalen gedeeld en de diepste zorgen besproken.
Terwijl de mijnen nog op volle toeren draaien, kijkt burgemeester Marcel van Grunsven al ver vooruit. Deze liefhebber van moderne kunst en architectuur heeft een droom: Heerlen moet de modernste stad van Nederland worden. Geen oude, smalle straatjes meer, maar een strakke boulevard die dwars door het hart van de stad snijdt. Met een krappe meerderheid neemt de gemeenteraad het Doorbraakplan aan. Schilderachtige, maar verouderde panden worden gesloopt om plaats te maken voor het 'nieuwe' Heerlen. Het geluid van ronkende graafmachines en vallend puin kondigt een radicale breuk met het verleden aan.
Door de sloop van oude straten ontstaat er een enorm gat in de stad. Dit gebied krijgt een officiële naam: De Promenade. Het ontwerp is gedurfd en vooruitstrevend, iets wat nog nooit eerder was gedaan. Om de straat een rustig en luxe uiterlijk te geven, worden er nepgevels geplaatst: extra wanden bovenop de gebouwen waardoor alle winkels precies even hoog lijken. Heerlen voelt op dit moment zelfbewust en klaar voor de toekomst.
| Kenmerk | Oud Heerlen | De Promenade |
|---|---|---|
| Stijl | Romantisch & Kneuterig | Strak & Modern |
| Winkels | Kleine speciaalzaken | Grote warenhuizen |
| Sfeer | Historisch | Stedelijk & "Groots" |
Heerlen neemt een uniek besluit: de Promenade wordt voetgangersgebied. Geïnspireerd door de Lijnbaan in Rotterdam, de eerste winkelstraat speciaal ingericht voor voetgangers, verdwijnen de auto's uit het zicht. Er komen bloembakken, moderne lantaarnpalen in de vorm van bollen en een kunstmatige waterval. Heerlen wordt het absolute centrum van de koopwoede in Limburg, waar het kopen van luxe producten en het showen van je nieuwe aankopen de belangrijkste bezigheid wordt.
Via de radio klinkt een boodschap die niemand had willen horen. Joop den Uyl kondigt aan dat de Limburgse mijnen zullen sluiten. De woorden zijn beheerst, maar de impact is rauw. In keukens, kleedlokalen en ondergronds in de schachten wordt geluisterd. Het werk gaat door, de liften blijven dalen, maar iets is voorgoed veranderd. De toekomst, ooit zo vast als steenkool, krijgt ineens een einde.
De Promenade wordt officieel geopend. Het is de tijd van "zien en gezien worden". Grote warenhuizen zoals V&D en Schunck trekken duizenden mensen uit de hele regio. Veel winkels zijn zo groot dat ze een dubbele ingang hebben: eentje aan de oude Geleenstraat en eentje aan de moderne Promenade. Heerlen bruist en straalt rijkdom uit. De stad voelt zich onoverwinnelijk, ook al begint het fundament onder de mijnen al te wankelen door de aangekondigde sluiting.
De mijnen zijn al lang dicht en de rijkdom neemt af. De Promenade, ooit zo modern, wordt nu een "tochtgat" genoemd: een ongezellige plek waar het door de brede, open structuur altijd lijkt te waaien. Bezoekers kiezen vaker voor de gezellige, oude straatjes van Maastricht. De beroemde Duitse architect Oswald Ungers probeert de straat nog te redden door hem "op te knippen" in kleinere stukjes met grote blokken en bomen, maar de leegstand begint zichtbaar te worden.
Het dieptepunt wordt bereikt: warenhuis V&D gaat failliet. Het enorme pand aan de Promenade blijft leeg en grijs achter. Terwijl de gemeente zich focust op het nieuwe Maankwartier bij het station, een kunstzinnig gebied ontworpen door kunstenaar Michel Huisman, blijft de Promenade achter in een staat van verloedering. De "trots van Heerlen" is veranderd in een zorgenkindje.
Zestig jaar na de opening valt het doek voor een groot deel van de Promenade. De zuidkant wordt volledig gesloopt. Er komt iets heel nieuws voor in de plaats: de Universiteit Maastricht. Met de komst van de studie Urban Sustainability, een opleiding die onderzoekt hoe we steden leefbaar, groen en duurzaam kunnen houden, hoopt Heerlen weer een stad van de toekomst te worden. Geen "koopstad" meer, maar een kennisstad.