Dit multimedia verhaal is enkel op resoluties vanaf 1500 pixels te bekijken. Durf jij het aan? :)
Bevolking mijnzetelgemeenten
Door de mijnbouw en de grote gezinnen groeide de bevolking in Zuid-Limburg sterk. Veel mijnwerkers kwamen met hun gezin naar de streek, waardoor het aantal inwoners tussen 1900 en 1965 steeg van ongeveer 23.000 naar ruim 236.000.
In de jaren 1950 was Nederland nog grotendeels een christelijk land. Rond die tijd was ongeveer 38 % van de bevolking rooms-katholiek, in veel gezinnen was het katholieke geloof een belangrijk onderdeel van dagelijks leven.
Meer dan 70% van de kinderen in Nederland werden thuis geboren. Thuisbevallingen waren heel gewoon, dit gebeurde vaak samen met een vroedvrouw aan huis. ziekenhuisbevallingen waren nog minder gebruikelijk, alleen vrouwen met complicaties gingen naar het ziekenhuis.
In de jaren vijftig en zestig draaide het grote gezin volledig mee in het dagelijks leven. Kinderen hielpen al zodra ze oud genoeg waren ze haalden water, schepten kolen, deden boodschappen en zorgden voor jongere broers en zussen.
51% van de Limburgse bevolking bestond uit kinderen en gezinnen telden gemiddeld drie of meer kinderen. Iedereen droeg zijn steentje bij. Voor veel jongens lag de toekomst al vroeg vast.
Net als hun vaders gingen zij later werken in de mijnen. Rond 1960 werkte meer dan 80% van de mannen in Zuid-Limburg direct of indirect in of rond de mijnen, waardoor het gezinsleven en werk sterk met elkaar verweven waren.
De wisselende werktijden van de mijnwerkers maakten het werk thuis extra zwaar er moesten meerdere warme maaltijden per dag klaargemaakt worden en er was vaak extra was en schoonmaakwerk. Dochters waren een onmisbare rol bij het draaiende houden van het gezin.
De meeste vrouwen hadden geen hoge opleiding, doorleren na de lagere school was voor vrouwen nog niet vanzelfsprekend. Toch waren er rond die tijd ook kansen om iets te leren.
In katholieke kerken en vrouwenorganisaties werden bijeenkomsten en cursussen georganiseerd waarin vrouwen praktische vaardigheden leerden zoals naaien, koken en huishouden, en soms ook lezen, schrijven en budgetteren. Deze kennis gebruikten ze niet alleen zelf, maar gaven ze ook door aan hun kinderen.
In de jaren ’50 stijgt het onderwijsniveau snel, steeds meer meisjes gaan naar de ULO (Uitgebreid Lager Onderwijs) en MULO (Meer Uitgebreid Lager Onderwijs). In veel gezinnen werd onderwijs steeds belangrijker als kans op een betere toekomst.
Hoewel veel moeders zelf weinig onderwijs hadden gehad, gaven zij hun kinderen wel het belang van leren mee. Wat zij via de kerk en vrouwenorganisaties leerden over lezen, schrijven en omgaan met geld, gebruikten ze om hun kinderen te stimuleren en te ondersteunen op school.
Veel vrouwen, vooral getrouwde vrouwen, mochten niet buitenshuis werken. In 1950 werkte maar 27% van de vrouwen buitenhuis.
In verschillende sectoren gold het gehuwde-arbeidsverbod, zodra een vrouw trouwde, moest zij haar baan opzeggen. De wet ging ervan uit dat de man de kostwinner was en de vrouw verantwoordelijk voor het huishouden en de zorg voor de kinderen.